![]() |
|
|
||
| Standaard Ruwhaar | ||||
|
||||
|
|
|
|
Belgian Magyar Vizsla Club vzw © 2005
Datum van de originele en van kracht zijnde standaard is:
06-04-2000.
FCI-standaardnummer 239 / 13.09.2000
Draadharige Hongaarse staande hond, Vizsla
De Vizsla is een veelzijdige gebruikshond voor de jacht, die zowel in het veld
als in bos en in water moet kunnen werken, met de volgende rastypische
eigenschappen : uitgesproken neusgebruik, vast voorstaan, uitstekend apporteren
en aangeboren aanleg om een zwemspoor uit te werken dank zij zijn uitgesproken
voorliefde voor het waterwerk. Hij verdraagt zowel zwaar terrein als ook extreme
weersomstandigheden. Als allround gebruikshond voor de jacht zijn schot- en
wildschuwheid, niet willen voorstaan en niet apporteren, net zo ongewenst als
gebrek aan wil om waterwerk te doen. Vanwege zijn probleemloze karakter en zijn
aanpassingsvermogen, kan hij ook gemakkelijk in huis worden gehouden.
Indeling FCI: Groep 7, staande honden
Sectie 1, Continentale honden
Met werkkwalificatie (veld en water)
De draadharige Hongaarse staande hond is ontstaan door kruising van de kortharige Hongaarse staande hond met de draadharige Duitse staande hond in de dertiger jaren van de 20e eeuw. Zijn raskenmerken zijn gelijk aan die van de kortharige Hongaarse staande hond.
Een levendige, middelgrote jachthond, met een tarwegele vacht, droog en atletisch, waarvan de lichaamsbouw robuuster is dan die van de kortharige Hongaarse staande hond. Zijn verschijning weerspiegelt zijn eigenschappen als all-round jachtgebruikshond, met uithoudingsvermogen, efficiënt en weinig veeleisend.
De romp is iets langer dan de schofthoogte.
De borstdiepte is iets minder dan de helft van de schofthoogte.
De voorsnuit is iets korter dan de helft van de lengte van het hoofd.
Een aanhankelijke, makkelijk af te richten en leergierige, zelfbewuste hond die geen grove behandeling verdraagt. Hij houdt goed contact met zijn baas, zoekt vol passie, is volhardend, beschikt over een goede neus en staat uitstekend voor.
Droog, edel, goed geproportioneerd.
Bovendeel van het hoofd
Schedel : matig breed, licht gewelfd, middengroef is matig opvallend en loopt
van de middelmatig ontwikkelde achterhoofdsknobbel tot aan de stop. De
wenkbrauwbogen zijn matig ontwikkeld.
Stop : matig.
Aangezicht.
De neusspiegel : brede en goed ontwikkelde neusspiegel met zo groot mogelijke
neusgaten. De kleur van de neusspiegel is iets donkerder dan en harmonieert met
de kleur van de vacht.
De snuit : stomp, niet spits, met krachtige kaken, goed gespierd. De neusrug is
recht.
Lippen : tegen het gebit aanliggende lippen, niet loshangend.
Kaken/gebit : krachtige kaken met een perfect, regelmatig en compleet
schaargebit, waarbij de bovenste snijtanden zonder tussenruimte over de onderste
tanden sluiten en de tanden recht in de kaken staan; 42 gezonde tanden,
overeenkomstig de tandformule.
Wangen : krachtig en goed gespierd.
Ogen : middelgroot, enigszins ovaal. De oogleden zijn goed aangesloten. De blik
is levendig en intelligent. De oogkleur is bruin en in harmonie met de kleur van
de vacht. Een wat donkerder kleur geniet de voorkeur.
Oren : een beetje naar achter en middelmatig hoog aangezet. De oren zijn dun en
liggen vlak tegen de wangen. Ze eindigen naar onder in een afgeronde V-vorm. De
oren zijn iets korter dan bij de kortharige Hongaarse staande hond. (Die ¾ van
de lengte van de kop dient te zijn; toevoeging van de vertaler.)
Middelmatig lang en in harmonie met het totaalbeeld. De nek is zeer gespierd en licht gewelfd. Strak aanliggende keelhuid.
Schoft : geprononceerd en gespierd.
Rug : Sterk, goed gespierd, strak en recht. De wervelkolom moet door spieren
bedekt zijn.
Lendenpartij: Kort, breed, strak, gespierd, recht of lichtgewelfd. De overgang
van rug naar lenden strak en compact.
Croupe : Breed en voldoende lang, niet kort afgeslagen, naar de staart toe licht
afgerond, goed gespierd.
Borst : Diep en breed met goed ontwikkelde, gespierde en middelmatig gewelfde
borst; zover mogelijk naar achteren reikend borstbeen. Borstbeen en
ellebooggewricht liggen op dezelfde hoogte. Ribben matig gewelfd. Achterste
ribben ruim naar achteren reikend.
Onderbelijning en buik : In een elegante boog, licht oplopend naar achter, strak.
Middelhoog aangezet, bij de aanzet sterk, geleidelijk dunner toelopend. In landen waar geen coupeerverbod geldt, kan de staart uit voorzorg bij jachtgebruik met een kwart ingekort worden. Als de staart niet mag worden gecoupeerd, reikt deze tot het spronggewricht en wordt recht of licht sabelvormig gedragen. In beweging wordt de staart horizontaal gedragen. De staart is goed en dicht behaard.
VOORHAND
Algemeen : Vanaf de voorkant gezien staan de voorbenen parallel, van opzij
gezien loodrecht en goed onder het lichaam geplaatst. Goede botstructuur en
sterk gespierd.
Schouders : Schouderblad is lang, schuin en naar achteren vlak aanliggend.
Uitgrijpend in beweging, sterk en droog gespierd. Goede hoeking tussen
schouderblad en opperarm.
Opperarm : zo lang mogelijk en gespierd.
Ellebogen : aansluitend aan de romp, maar niet aangedrukt, noch naar buiten,
noch naar binnen gedraaid. Goede hoeking tussen opperarm en onderarm.
Onderarm : Lang, recht en goed gespierd. Sterke, maar geen grove botten.
Polsgewricht : Droog en sterk.
Middenvoet : Kort, slechts zeer licht schuin gesteld.
Voorvoeten : Licht, ovaal met vlak tegen elkaar aanliggende, sterk gewelfde,
krachtige tenen. Sterke, bruine nagels. Stevige gripgevende leigrijze
voetkussens. Zowel in stand als in beweging, staan de voeten parallel.
ACHTERHAND
Algemeen : Van achteren gezien staan de achterbenen recht en parallel. Goede
hoekingen, sterke botten.
Dijbeen : Lang en gespierd. Goede hoeking tussen bekken en dijbeen.
Knie : Goede hoeking tussen dijbeen en onderbeen.
Onderbeen : Lang, gespierd en pezig. Ongeveer even lang als het dijbeen. Goede
hoeking tussen onderbeen en middenvoet.
Spronggewricht : Krachtig, droog en pezig, in verhouding laag geplaatst.
Middenvoet : Loodrecht, kort en droog.
Achtervoeten : als voorvoeten.
Zijn typische gangwerk is een zwierige, lichtvoetige, elegante en ruim uitgrijpende draf, met veel stuwing en overeenkomstige paslengte. Tijdens het zoeken in het veld een volhardende galop. De rug is vast en de bovenbelijning blijft horizontaal. Telgang is ongewenst.
Glad aanliggend, zonder plooien. De huid heeft een goed pigment.
HAAR : Draadharig, aanliggend, stevig, dicht en zonder glans. Het dekhaar is 2 tot 3 cm. lang; dichte waterafstotende onderwol. De contouren van het lichaam mogen door langere beharing niet worden verstopt. Door zijn hardheid en dichtheid moet het zoveel mogelijk bescherming bieden tegen weersinvloeden en verwondingen. Op het onderste deel van de poten alsmede onder de borst en op de buik moet de beharing korter, zachter en dunner zijn; op het hoofd en de oren is de beharing korter en tevens donkerder, maar niet zachter of minder dicht. Geaccentueerde wenkbrauwen verduidelijken de stop. Dit en de stevige niet te lange (2 – 3cm), zo hard mogelijke baard aan beide zijden van de snuit, onderstrepen de energieke gezichtsuitdrukking. Aan beide zijden van de hals bevinden zich V-vormige borstels.
KLEUR : Verschillende nuances van tarwegeel en lichtbruin. De oren kunnen iets
donkerder zijn, voor de rest moet de kleur uniform zijn. Rode, bruine, helgele
of bleke kleuren zijn ongewenst. Een kleine witte vlek op de borst of aan de
keel, die niet groter is dan een doorsnede van 5 cm., alsmede witte aftekening
aan de tenen, gelden niet als fouten. De kleur van de lippen en de oogleden,
moet overeenkomen met de kleur van de neusspiegel.
Schofthoogte:
Reuen 58 – 64 cm.
Teven 54 – 60 cm.
Het is onproductief de schofthoogte te vergroten. Het streven is een middelgrote
hond. Een goede balans in stilstand en beweging en symmetrie zijn veruit
belangrijker dan de in centimeters gemeten grootte.
Iedere afwijking van hetgeen voorafgaat moet als fout worden gezien; de beoordeling moet in de juiste verhouding tot de graad van afwijking staan.
Grote afwijkingen in geslachtstype.
A-typisch hoofd.
Gevlekte neusspiegel.
Hangende of kwijlende lippen.
Bovenvoorbijten, ondervoorbijten, kruisgebit en alle overgangsvormen daarvan.
Het ontbreken van één of meerdere snijtanden, hoektanden, de premolaren 2-4, de
molaren 1-2; het ontbreken van meer dan 2 PM1; op de M3 wordt geen acht geslagen.
Niet zichtbare tanden gelden als ontbrekende tanden.
Overtollige tanden buiten de normale tandenrij.
Gespleten gehemelte, hazenlip.
Helgele ogen, zeer losse oogleden, ectropion, entropion. Distichiasis (dubbele
wimperrij).
Opvallende keelhuid.
Hubertusklauwen aan de achterbenen.
Ernstige fouten in de beweging
Dun haar. Gebrek aan onderwol. Lang, zacht, zijdeachtig, warrig, kroezend,
krullend of wollig haar. Ontbrekende borstels aan de benen.
Donkerbruine of vaalgele kleur, meerkleurig, niet uniforme kleur.
Witte borstvlek, groter dan 5 cm.
Witte benen.
Pigmentfout, zowel in de huid, als ook aan de oogleden en lippen.
Grotere afwijking dan 2 cm. van de minimum en maximum maat.
Elke vorm van wezenzwakte.
N.B. Reuen moeten twee duidelijk aanwezige, normaal ontwikkelde testikels
bezitten, die zich in zijn geheel in het scrotum bevinden.